Over Galerie Helder

Galerie Helder is in 2010 opgericht door Frey Feriyanto. Geboren en getogen in Indonesië kwam hij in de jaren ‘80 naar Nederland en doorliep in Utrecht de Hogeschool voor de Kunsten (HKU). Hij studeerde af in 1992 in de disciplines architectuur zowel als beeldende kunst (autonoom). Direct daarna was hij eerst werkzaam bij verschillende architectenbureaus tussen Amsterdam en Jakarta. Later voerde Feriyanto in eigen beheer architectuurprojecten uit, van Barneveld tot Bali. In die tijd was hij in Den Haag ook verbonden aan galerie Nouvelles Images, met Erik Bos als directeur. Gedurende vele jaren adviseerde Feriyanto aan particuliere kunstverzamelaars.

Vanaf de oprichting van Galerie Helder deelt Feriyanto deze passies met zijn partner en kunstverzamelaar Frank Megens. Samen bieden zij een platform voor de representatie van opkomende en gevestigde kunstenaars. De zeer persoonlijke affiniteit met de kunstwerken, of het nu figuratief, abstract of conceptueel is, weerspiegelt de huidige tijd. Een persoonlijk engagement van de kunstenaars en hun zelfreflectie zijn essentieel, gekoppeld aan goed vakmanschap en de poëtische inhoud van het werk.

Galerie Helder werkt samen met binnen- en buitenlandse kunstenaars. Er zijn jaarlijks zeven tot acht tentoonstellingen in de galerie, naast deelname aan verschillende kunstbeurzen. Elke expositie komt tot stand vanuit bestudering van de beeldelementen en drijfveren van de kunstenaar(s). Een daaruit gesignaleerde noodzaak levert nieuwe referenties op voor de context van gepresenteerde werken.

Galerie Helder neemt deel aan de KunstKoop regeling van Mondriaan Fonds.

De galerie van… Frey Feriyanto

Door Oscar van Gelderen
Gallery-viewer magazine, 28 mei 2021

In de rubriek ‘De galerie van…’ laten we een keur aan galeriehouders uit Nederland en België aan het woord: hoe (en wanneer) zijn ze hun galerie gestart, wat is er sindsdien allemaal veranderd in de kunstwereld, wat is hun profiel, wat verzamelen ze zelf, en wat is de impact van Corona op hun galerie? In dit deel Frey Feriyanto (Galerie Helder)

Heeft u kunst van huis uit meegekregen? 

Lees meer

Ja en nee. Ik ben tot mijn achttiende opgegroeid in Indonesië, schreef kindergedichten en speelde in het theater op de middelbare school. Gefascineerd en bijna gehypnotiseerd keek ik vaak naar wajang-voorstellingen in de open lucht, tot diep in de nacht. Dat vond ik geweldig, met name het mythische hindoe-epos Mahabharata en de Ramayana. Ik kende van die verhalen bijna alle personages. Geflankeerd door een eindeloos indringend gamelanorkest te midden van een intense tropische natuur werkte alles op mijn gemoed, en was ik in mijn element. Ik groeide op met deze verhalen, vermengd met animisme, en midden in een overwegend islamitische maatschappij – mijn opa was een gerespecteerd imam. Later ging ik naar een christelijke middelbare school.

Op mijn kamer hingen drie A4-posters die ik op straat gekocht had, onderweg naar huis van de lagere school: dat waren afbeeldingen van schilderijen met de titel ‘The Old Guitarist’, ‘Starry Night’ en ‘Mona Lisa’. Die afbeeldingen boeiden mij, terwijl de sfeer mij onbekend was. Ik voelde me sterk aangetrokken tot die mysterieuze wereld. De namen van de makers leerde ik pas jaren later in Europa kennen. Iedere nacht keek ik ernaar, voor het slapen gaan. Ik vond het fascinerend en wist niet waarom.

Van mijn moeder leerde ik hoe je via een fotolens naar een object moet kijken. Zij was fotograaf-journalist voor een krant. Ik mocht haar helpen in de donkere kamer. Ik leerde het leven kennen van op straat. Ik voelde altijd al dat het leven als een rivier is, het stroomt uit de bron naar de oceaan. Iedere ochtend als ik wakker werd, was ik nieuwsgierig wat de dag mij zou brengen; soms heel euforisch, ik wist dat niets hetzelfde blijft.

Hoe bent u in aanraking gekomen met de kunstwereld?

Ik wilde al jong mijn eigen huis bouwen, dat was een wezenlijk verlangen. Na voeding vond ik behuizing belangrijk, gewoon vanwege de nodige praktische bescherming. In Nederland ging ik daarom architectuur studeren aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht, HKU. In datzelfde jaar leerde ik wat kunst voor mij betekende: het gaf mij nauwelijks houvast, maar wel een nieuwe onverklaarbare dimensie aan het onbekende. Ik leerde te houden van kunst, omdat ik nieuwsgierig was. En ik ontdekte de namen van de makers van die drie kleine posters uit mijn slaapkamer in Indonesië. Ik studeerde af in Architectuur als in Beeldende Kunst (autonoom), in 1992. Direct daarna ging ik werken bij verschillende architectenbureaus in Amsterdam en Jakarta. Later voerde ik op eigen kracht opdrachten uit, van Barneveld tot Bali.

In deze periode herontdekte ik de klanken van het gamelanorkest uit mijn vroege jeugdjaren, in de werken van moderne Europese componisten zoals Claude Debussy, Erik Satie of – nog recenter – de minimalisten John Cage en Philip Glass. Zo was het verleden andermaal verbonden met het heden. Dat vind ik boeiend, die transformatie van de dingen in het leven. Kunst is inmiddels vanzelfsprekend, omdat het bij mijn dagelijkse leven hoort en ik me er graag mee omring. Ik kan me ook geen fijn huis of ruimte zonder kunst voorstellen. Kunst resoneert in mijn gedachten.

Wat was uw eerste betrekking in een galerie? Of bent u gelijk zelf een galerie gestart?

Juist na mijn academietijd begin negentiger jaren ontmoette ik Erik Bos, van galerie Nouvelles Images in Den Haag, een van de oudste galeries van Nederland. Sindsdien hoorde kunst nog intenser bij mijn leven en was ik regelmatig te vinden in die galerie. Ik ging mee op atelierbezoek, zowel in Nederland als in het buitenland, bijvoorbeeld in Londen, op atelier van Michael Raedecker, een van de toen opkomende Nederlandse kunstenaars die in een vroeg stadium door verzamelaar Charles Saatchi aangekocht werd, en in Berlijn bij Ronald de Bloeme, die net daarheen was verhuisd. Ik vond alles boeiend en leerzaam en het verbreedde mijn kunstopvatting.

In Nouvelles Images hielp ik met de opbouw van tentoonstellingen; ik kreeg er energie van. Het was intens, vanwege de grote galerieruimtes en de vele werken die gepresenteerd moesten worden, van vaak meerdere kunstenaars tegelijk. Regelmatig stonden wij op buitenlandse beurzen zoals Arco Madrid, Frankfurter Messe en natuurlijk ook in Nederland. Van Erik Bos – helaas veel te vroeg overleden – leerde ik veel over de galerie en de fijne herinneringen en bijzondere activiteiten van Nouvelles Images blijven me dierbaar.

In 2010 startte ik samen met mijn partner Frank Megens galerie Helder. Wij vonden de tijd rijp om meer het leven te delen en samen te doen. Zoekend naar een doel dat ons samenzijn verder invulde, kwamen we uit op de kunst. Niet één seconde daarvoor heb ik ooit gedacht om een galerie te beginnen. Een kort bezoek aan de Kamer van Koophandel bleek genoeg voor de aftrap van Helder. Een galerie voelde ineens als vanzelfsprekend om thuis te komen. Wat er daarna nog moest gebeuren bleek een continu verrassende praktijk.
In elk geval is galerie Helder nu na ruim tien jaar wel mijn identiteit geworden. Ik leg mijn ziel en zaligheid in de galerie. Het is een plezierige manier van leven en denken met kunst. Ik ben verantwoordelijk voor elke activiteit in de galerie. Hierin is de rol van Frank onmisbaar, als steun en toeverlaat. We zijn een waanzinnig duo en hebben er veel plezier in samen.

Hoe zou u het profiel van uw galerie willen omschrijven?

De galerie toont een breed scala van figuratie tot abstractie en conceptueel, in alle mogelijke disciplines. De uiteindelijke vorm van een kunstwerk is minder belangrijk, wel hoe de kunstenaar met zijn kunstenaarschap in het leven staat, het engagement. Belangrijk vind ik het gevoel, de emotie en dat het hart sneller gaat kloppen van prettige opwinding en gezonde spanning. Ik zoek altijd de poëtische lading en omring me enkel met wat ik belangrijk en spannend vind. Dat is de basis van galerie Helder. Ik ben me ervan bewust dat zo’n persoonlijke insteek beperkingen geeft naar een groter publiek, maar dat is niet erg, want ik kan op die manier met meer betrokkenheid de kunstenaars vertegenwoordigen. Een kunstenaar als Marcel Wesdorp, met zijn computer-gebaseerde persoonlijke onderzoek naar de werkelijkheid en daarbuiten, blijft mij boeien. Ook naar de minimalistische metalen sculpturen van Cecilia Vissers kan ik lang kijken en dat maakt mijn gedachten los. Aan de andere kant kunnen de papieren werken van Zaida Oenema of Stephan van den Burg mij ook mateloos ontroeren door hun precisie en vernieuwende manier van werken.

Kunst kan verhalend zijn, rationeel of emotioneel, kunst kan leidend zijn in iemands leven. Ik vergelijk dat met religie, dat wil zeggen mét de waanzinnige verhalen en overleveringen, maar zónder de dogma’s. Kunst heeft een avontuurlijke geest nodig. Je kunt jezelf daarin verliezen, je verwonderen, eruit ontsnappen. Eigenlijk ben ik er zelf nog niet helemaal uit wat kunst allemaal kan, maar dat zie ik als een prettig ongemak en het daagt mij uit tot een zoektocht naar wat het leven voor mij kan betekenen. Ik ben continue innerlijk in beweging, ook qua kijk op de wereld. Tegelijk verandert de galerie ook met mij mee naar nieuwe inzichten en manieren om kunst te benaderen. Niets blijft hetzelfde. Zoals onlangs schrijver Anna Enquist in een interview zei: ‘Het leven is voortdurend afscheid nemen.’ Als je je dat realiseert, leef je ten volle.

Wat vindt u het mooiste aspect van het vak galeriehouder?

De vrijheid om iets te laten ontstaan en mensen daarmee te laten kennismaken. De exposities organiseren met een bepaalde visie die mij op dat moment inspireert. Ik had altijd de behoefte om zelfstandig te zijn, eigen keuzes te kunnen maken en continue te onderzoeken. Een verhaal kunnen vertellen via kunst. Het omgaan met nieuwe inzichten en ideeën van de kunstenaars waaraan ik me kan spiegelen en waardoor ik meer inzicht krijg, vind ik boeiend. In eerste instantie wil ik mezelf verrijken met deze ervaringen. Met kunst bezig zijn geeft me veel plezier en een extra dimensie aan het dagelijkse bestaan. Kortom: leven met kunst is het mooiste aspect van galeriehouder. Het is een avontuur. Wat denk je van leven in de galerie? Dat kan de droom zijn van iemand die van kunst houdt. Men zegt dat je met kunst de wereld beter kunt bevatten en niet hoeft te reizen om culturen te leren kennen. Om de gedachten over kunst verder te kunnen begrijpen vind ik het fascinerend om boeken te lezen en me te verdiepen in filosofie, geschiedenis, religie, over de mensheid in het algemeen en de verhoudingen in de wereld. Het is best lastig om je te beseffen dat wij slechts van een kleine periode in de geschiedenis deel uitmaken. Ik voel me nietig en tegelijkertijd heel groot in mijn eigen microkosmos. Het galeriehouderschap brengt mij verder naar een intenser leven dat ik graag wil beleven samen met kunstenaars en het publiek. Ik wil een zo breed mogelijk inzicht krijgen om beetje bij beetje te begrijpen wat het leven inhoudt.

Met welke galeries voelt u zich nationaal/internationaal verwant?

Ik kende Nouvelles Images in Den Haag natuurlijk heel goed. Vanzelfsprekend ben ik enthousiast over deze galerie, ook omdat ik daar de essentie voelde wat galeriehouderschap inhoudt. Erik Bos was altijd trouw aan zichzelf, en ook wat betreft de keuze van zijn kunstenaars was hij heel consistent. Ik heb die mentaliteit denk ik wel van hem overgenomen. Ik heb niet echt voorkeuren of voorbeelden hoe een galerie moet zijn, van galerievormen nationaal of internationaal. In de loop der jaren ben ik daar realistisch in geworden. Ik weet wat ik wil en wat ik kan, dat is mijn beperking en tegelijkertijd mijn kracht.

In een ideale wereld: welke kunstenaar zou u het allerliefst vertegenwoordigen?

Ik schep vooral plezier in de ontdekking van kunstenaars, vers van academie of gerijpt in hun atelier. Daarbij: niets is verraderlijker dan het ontdekken van talent. Want niemand weet wanneer een kunstenaar zijn top bereikt. Dat kan een lang proces zijn, en daarom is het zo boeiend. Ik zou het heel egoïstisch vinden om alleen bepaalde kunstenaars of stromingen te willen vertegenwoordigen. Nee, daarvoor ben ik te divers. Ik wil mezelf niet in een hoekje duwen van bepaalde kunststromingen. Naast de abstracte werken van René Korten en Elka Oudenampsen toon ik bijvoorbeeld ook tekeningen van Hans Lemmen. Ze zijn zo anders van aard, en toch passen ze wonderwel bij mij en de galerie.

Ik houd van geëngageerd werk, maar ook van kunst die naar zichzelf verwijst. Ik bezoek graag internationale kunstmanifestaties zoals de Biënnale van Venetië, de Documenta in Kassel en de reizende Manifesta. Kunst met een context vind ik boeiend, bijvoorbeeld de stad met zijn sociale cohesie en politieke engagement. Dat komt denk ik omdat de ontwerpwereld mij ook gevormd heeft.
Ik bewonder het dramatische werk van Kiefer en de melancholie van De Chirico, maar kijk ook graag naar het serene werk van Morandi en het persoonlijke oeuvre van Louise Bourgeois. Daarnaast kan ik me heel tevreden omringen met werken van de kunstenaars van mijn eigen galerie. De afkomst is niet belangrijk, het werk moet mij wel raken.

Wat is er veranderd in de kunstwereld sinds u uw eerste stappen zette?

In sommige opzichten blijft de kunstwereld hetzelfde, denk ik. Zoals in het hoogste segment kunst beslist handel is, en speelruimte biedt voor wie zich dat kan permitteren. Internationale veilingen met bekende namen zijn blijvend in het nieuws, maar die namen zijn steeds vaker hedendaags. En je ziet soms wonderlijke verschuivingen, zoals dat het werk ‘Salvator Mundi’ van Leonardo da Vinci gekocht is door een islamitische kroonprins; dat dit christelijke kunstwerk daar gewaardeerd wordt, is wel opmerkelijk.

Vooral de sociale media hebben veel veranderd. Kunst lijkt minder elitair geworden, is in principe bereikbaar voor iedereen en in die zin democratischer. Maar of kunst de massa bereikt is de vraag: houdt de massa van kunst? Sinds enkele decennia is het gedachtengoed van hedendaagse kunst als vrij expressiemiddel steeds internationaler geworden. In Azië bijvoorbeeld is in de afgelopen vier decennia een bloeiende profilering en markt van hedendaags kunst ontstaan. Ook kunst is zich aan het internationaliseren en reislustig geworden buiten de eigen landsgrenzen. Toch merk ik dat kunst nog steeds in zijn eigen omgeving het beste gedijt, dus in zijn eigen context.

Wat/wie verzamelt u zelf?

Ik heb werken van verschillende kunstenaars uit verschillende perioden en niet specifiek gericht op bepaalde stromingen of genres. Ook van kunstenaars uit de galerie, vanuit het beter leren kennen en waarderen, of ter ondersteuning. Ik volg altijd mijn gevoel. Mijn besluit om kunst te kopen was door mezelf te laten verleiden in een onbekende wereld. Dat past goed bij mijn levenshouding. Ik kijk er nog steeds met een blij en mooi gevoel op terug, met een zekere rijkdom aan ervaring.
Ik zit nu in de levensfase dat prioriteiten veranderen. Ik vind het inmiddels belangrijker om kunst aan de man te brengen. Dus ben ik meer bezig met verspreiden van kunst dan met verzamelen.

Heeft Corona uw denken over de kunstwereld beïnvloed?

Deze periode geeft me veel tijd om extra na te denken over de betekenis van kunst. Een herwaardering ervan als fundamenteel expressie- en ontwikkelingsvoertuig is meer dan ooit noodzakelijk. Te lang al is kunst weggezet aan de kostenkant van de financiële rekening. En vergeleken met de consumptie van allerlei (on)praktische spullen kan kunst veel vaker wezenlijke, innerlijke bevrediging geven.
Kunst prikkelt sowieso ons denken, om creatief met de wereld om te gaan. Zo is het macro- met het microniveau verbonden en blijken ontdekkingen ook dichterbij huis te kunnen voorkomen. Voor kunstbeleving hoef je niet per se naar buiten, laat staan ver te reizen. Als je het beziet in het perspectief van onze geschiedenis – met inbegrip van literatuur, muziek, film en theater – dan is ontspanning en verdieping altijd binnen handbereik. Naast het avontuur van de wijde wereld biedt ook de eigen omgeving een schat aan mogelijkheden. Als je kunst binnen bereik hebt, dan is dat gezelschap om je nooit alleen te hoeven voelen. Dat heeft het afgelopen jaar mij nog scherper doen ervaren.

Bezoek Helder op GalleryViewer

 

Puzzelstukjes in het onbevattelijk geheel

Het Residu van een conversatie.
Door: Bertus Pieters

December 2020 – maart 2021

We leven in turbulente tijden, hier in de lage landen langs de zee. Een virus waart rond dat nu al meer dan een jaar zorgt voor onzekerheden, ongemak en beknelling. Vooral de winter was lang. Onze onderlinge benaderbaarheid is niet meer gebaseerd op vertrouwen in elkaar, maar op besmettelijkheid. Hoewel soms lawaaiig, is de turbulentie die dat gegeven teweegbrengt in het algemeen stil van karakter. Die stille turbulentie zit ook in de kunst. De ‘binnenkunst’ – de kunst in galeries en musea – is voor langere tijd onzichtbaar geweest, of alleen zichtbaar onder strikte voorwaarden. Het heeft menigeen in de kunstwereld soms tot wanhoop gedreven. Zo niet Frey Feriyanto van Galerie Helder.

Lees meer

We spraken er eind januari met elkaar over. Zeker, het is een bittere pil wanneer je het tienjarig bestaan van je galerie niet feestelijk kunt vieren, met de kunstenaars en met de vaste kijkers van de galerie. Maar voor Frey was het juist een goede reden tot introspectie, tot veel lezen. Dat deed en doet bij hem veel gedachten opborrelen, vooral ook over de vraag hoe het nu komt dat iemand zoals hijzelf van kunst houdt. Wat betekent de kunst voor hem? Hoort dat bij het mens-zijn? Of is het iets persoonlijks? Je kunt het blote feit dat je van kunst houdt zonder al te veel nadenken constateren, maar welke consequentie heeft dat, hoe is het om dan met de kunst te leven? Bovendien: wat betekent dat dan: houden van kunst? En hoe komt het dat die vragen steeds weer terugkomen bij het lezen van de boeken die het meest intrigeren?

Het is duidelijk dat mensen bijvoorbeeld graag een vorm van kunst inschakelen bij officiële ceremonieën of bij historisch geachte gebeurtenissen om de betekenis ervan te benadrukken. Bij de inauguratie van de nieuwe Amerikaanse president was dat onlangs nog te zien. Daar werd gezongen door bekende Amerikaanse artiesten, maar er werd ook een gedicht voorgedragen door de 22-jarige dichteres Amanda Gorman. Beide waren we onder de indruk van haar performance. Ze leek met haar indringende voordracht en haar fragiele maar vastberaden voorkomen de hele ceremonie meer betekenis te geven dan alle andere artiesten bij elkaar. Bij de formele afsluiting van het Trump-tijdperk liet ze daarbij ook als geen ander merken hoe hoog de verwachtingen zijn. Ze gaf uitdrukking aan frustraties maar ook aan hoop en dromen en aan de wil om er weer wat van te maken, daar aan de andere kant van de Oceaan.

Poëzie en performance brachten tot uitdrukking wat de officiële inauguratie niet kon, hoe plechtig die ook was. Poëzie en performance gaven hoop en zin aan de ceremonie. Het zegt ook iets over het gemeenschappelijke van kunst. Of het nu om de beeldende kunst, de literatuur, de muziek of welke andere kunstvorm dan ook gaat, het is niet duidelijk hoe zij ontstaan zijn. Wel is duidelijk dat ze gebruikt werden in ceremonieën. Zingen, dansen, verhalen vertellen, decoreren, het werd allemaal – niet zelden tegelijk – ingezet om iedereen deel te laten nemen aan een sessie die van belang was om de wereld, met haar gulle gaven maar ook en vooral met haar onvoorspelbare rampen, gezamenlijk te kunnen bezweren. Toen de componist Richard Wagner (1813-1883) droomde van Gesamtkunst (een verwevenheid van verschillende kunsten, in het geval van Wagner vooral muziek, dans, drama, poëzie, de schilderkunst in de decors en de architectuur van het operatheater), vond hij in feite het wiel opnieuw uit. Sterker, Gesamtkunst was er al toen het wiel nog uitgevonden moest worden.

Er is wel een groot verschil met de huidige tijd. Ooit nam iedereen deel aan zo’n ceremonie. Iedereen die deelnam was zowel maker als uitvoerder. Iedereen was een kunstenaar, misschien meer dan in de zin zoals Joseph Beuys (1921-1986) het in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw bedoelde (en daarmee is een ander Duits begrip, de Sociale Plastik wellicht ook al ver voor de uitvinding van het wiel uitgevonden). Echter, Wagner en Beuys ten spijt, is vandaag de dag het kunstgebeuren onderverdeeld in makers en genieters, of in kunstwerken en kijkers. De kunstervaring lijkt gesplitst tussen de actieve maker en de passieve genieter en daarmee, in het geval van de beeldende kunst, tussen het gecreëerde kunstwerk en de passieve kijker. Daarin speelt ongetwijfeld ook mee dat genieters en kijkers economisch steeds meer gedegradeerd zijn tot simpele consumenten, kunstwerken tot simpele producten en kunstenaars tot simpele producenten.

Zoals het hele consumptiedenken het leven gedegradeerd heeft tot een verdienmodel. Je kunt je echter afvragen of het genieten en kijken wel zo’n simpele bezigheid is. Zo redenerend zou je denken dat kunst alleen voor luie mensen gemaakt is, voor wie de kunst als een onbetekenende sensatie door de zintuigen glipt, en hen behaagt en tevreden stemt totdat ze verveelt. Voor veel mensen – kijkers en genieters – is de kunst echter meer dan dat. Sterker, voor hen kan de kunst niet anders dan meer zijn dan dat. In dat geval zijn die kijkers en genieters in feite zelf ook weer deelnemers in het gebeuren van de kunst, al zijn zij geen uitvoerende of scheppende kunstenaars (dat wil zeggen: niet in de meest voor de hand liggende betekenis daarvan).

Dat geldt in het algemeen ook voor de serieuze galeriehouder, en in het bijzonder – in dit geval – voor Frey Feriyanto. Naast dat hij uiteraard het meer prozaïsche handwerk van het verkopen van kunst beheerst – er moet tenslotte ook brood op de plank – wil hij vooral de beleving van beeldende kunst stimuleren bij ieder die met de galerie in aanraking komt. Uiteindelijk is het meest ideale dat een kunstwerk een belangrijk puzzelstukje in het leven van de kijker gaat worden. Dat gaat verder dan alleen maar het consumeren van een product, het gaat verder dan een simpele inwisselbare genieting, het gaat ook verder dan simpel het houden van. Bij Frey gaat het ook om een persoonlijke verbondenheid met de kunst, of de persoonlijke verbondenheid met een kunstwerk. De ceremonie is er misschien niet meer, maar de beleving is er nog wel en de verbondenheid met een idee en een bepaalde esthetiek is er nog voor de volle honderd procent.

Die verbondenheid met een idee en een bepaalde esthetiek is een persoonlijke geworden. Tegelijkertijd raakt de persoonlijke verbondenheid aan de kunst ook weer aan een meer gemeenschappelijke verbondenheid, want een ideeënwereld ontstaat weliswaar onder persoonlijke omstandigheden, maar ook onder invloed van de wereld en mensen om je heen. In idee en esthetiek zitten altijd zowel iets persoonlijks als iets gemeenschappelijks. De gemeenschappelijkheid in de beleving van de kunst – althans in de beeldende kust – is een stille gemeenschappelijkheid geworden.

Die ideeënwereld en die esthetiek laten zich het liefst niet beteugelen door mensen die ze willen dwarsbomen of ontkennen. Ideeën en esthetiek hebben steeds een vorm van vrijheid nodig. Zoveel werd ook duidelijk in het ceremoniële optreden van Amanda Gorman. Haar werd geen strobreed in de weg gelegd bij haar performance. Niet omdat men vond dat kunst getolereerd moest worden, maar omdat haar performance ertoe deed, en ook dat is vrijheid. Het stond in schril contrast met landen waar dichters en andere kunstenaars worden vervolgd of opgesloten wanneer zij de conventies niet volgen, vooral wanneer die conventies een autoritair of dictatoriaal systeem moeten ondersteunen. Frey noemde in ons gesprek het lot van een Egyptische student en dichter die twee jaar geleden na een vijfjarige detentie werd vrijgelaten, maar zo zijn er helaas meer landen te noemen waar dichters en andere kunstenaars nadrukkelijk het werken onmogelijk wordt gemaakt, of waar zij achter de tralies belanden. Natuurlijk is een dergelijke verdrukking Frey een gruwel, maar ze laat ook de kracht van de ideeënwereld en de taal zien, en dat zij juist daar onderdrukt worden waar die kracht gevoeld wordt.

De literatuur kan de taal nieuwe kracht geven, Frey noemt daarbij Chairil Anwar (1922-1949) of Fernando Pessoa (1888-1935) als voorbeelden van schrijvers die nieuwe uitdrukkingskracht verleenden aan respectievelijk het Indonesisch en het Portugees en daarmee hun lezers inspireerden. Die twee voorbeelden zijn overigens heel verschillend in hoe de vrijheid in de kunst opgevat kan worden. Anwar had de vrijheid nodig om meer en nieuwe expressie te verlenen aan de zich ontwikkelende Indonesische taal tegen de verdrukking in en in een staat die leefde onder bezetting, oorlog, bevrijding en richtingenstrijd. Bij Pessoa was het meer de vrijheid van het isolement die bij hem de beperkingen weghaalde. Ook op die manieren werden door hun kunst persoonlijke ervaringen tot algemene ervaringen.

Op dezelfde wijze ziet Frey zijn persoonlijke ontwikkeling. Al vroeg had hij ervaringen met de verschillende godsdiensten van Indonesië, het land waar hij geboren werd en opgroeide. Het heeft hem doen neigen naar een vorm van humanisme, waarbij een brede interesse in geschiedenis, literatuur, filosofie en esthetiek hem veel meer aantrokken dan religieus sektarisme. Hij noemt het zelf “syncretisme”, oorspronkelijk een term uit de wereld van de godsdiensten, waarbij getracht wordt de beste ideeën van de verschillende religies te combineren. Hij maakte dan ook graag gebruik van de lockdown – zowel die van vorig jaar als de recente nog strengere lockdown – om de boeken te lezen die hem intrigeren, steeds hongerig naar een wereld van ideeën en verschillende gezichtspunten die inspireren. Zo bracht David van Reybroucks Revolusi (ook verwerkt tot een korte televisiedocumentaireserie) hem tot een beter begrip van het land waar hij opgegroeid is, omdat het onderwijs dat hij over de onafhankelijkheidsstrijd van zijn land genoten had, maar vanuit een heel beperkt perspectief gegeven werd. Het deed hem teruggrijpen naar zijn jeugd om vanuit dat vernieuwde perspectief de weg terug te volgen met de vraag hoe het kwam dat hij zo verslingerd raakte aan de kunst

Tegelijkertijd belandde hij weer met beide benen op de hedendaagse grond met Miriam Rasch’ boek Frictie over de hedendaagse digitalisering, die de mens in data tracht te vangen, en daar tot in de nerven in lijkt te slagen. Menigeen zal dat ervaren als grote winst, immers je hoeft zelf niet meer na te denken of te bepalen wat je voorkeuren zijn, je hoeft zelf niet meer te construeren of componeren, dat doen de algoritmen wel voor je, en de mens bezuinigt nu eenmaal het liefste op het gebruik van de hersenen. Dat macht, kennis en individualiteit dan steeds meer bij een beperkte groep mensen komen te liggen, schijn je dan voor lief te moeten nemen. Rasch’s antwoord is in feite om steeds frictie te veroorzaken, een vorm van obstructie te plegen. De data zijn er – daar valt niets tegen te doen – maar je kunt ze ook op je geheel eigen wijze gebruiken of je kunt ze gewoon omzeilen. Je kunt ze gebruiken waar ze niet voor bedoeld zijn. De obstructie – de frictie – bestaat er bij Frey dan in feite uit dat hij de geest blijft scherpen aan de kunst en de manier waarop die de verbeeldingskracht aanspreekt. Geen algoritme kan daarmee rekening houden. Marcel Wesdorp, een van de kunstenaars van Galerie Helder, gebruikt bijvoorbeeld ook algoritmen, niet voor marktonderzoek, of om mensen te verleiden hun hersens op non-actief te zetten en zich door hem te laten leven, maar om ze een esthetische ervaring te geven die inspireert. In die zin is de liefde voor kunst ook een vorm van frictie veroorzaken in tijden van de datasamenleving.

Je zou de hedendaagse datahonger kunnen beschouwen als een nieuwe religie, met haar eigen machtstructuur om greep te krijgen op het menselijk bestaan. Het geloof wordt afgedwongen door het gemak dat het biedt en de belofte van zekerheid in een wereld vol onzekerheden. Het is echter een amoreel geloof en een geloof zonder zingeving. Alleen profijt en verleiding zijn er de ceremoniële instrumenten. De grote godsdiensten lijken toch uit meer voort te komen dan alleen het bieden van zekerheid. Natuurlijk, het mensdom kon zijn omgeving niet beredeneren met wetenschappelijke kennis en voelde zich afhankelijk van de wereld en de natuur die verpersoonlijkt werden door een of meer goden, voorouders of geesten die aangesproken, tevredengesteld of om gunsten gevraagd konden worden. Dat ging dan weer in de vorm van ceremonieën waarin uiteenlopende zaken, die we tegenwoordig samenvatten onder “kunst”, samenkwamen en in gezamenlijkheid beoefend of botgevierd werden. Dat heeft zich uiteindelijk ontwikkeld tot politieke systemen en machtsstructuren waarover de meningen sterk verdeeld zijn. Onvermijdelijk hebben zij echter ook bijgedragen aan de ontwikkeling van de ideeën, de taal en de kunsten. In de huidige algoritmenreligie lijkt die ontwikkeling echter te degenereren.

Het is voor Frey vrijwel onmogelijk om niet bijna de hele wereld en haar geschiedenis te betrekken bij zijn speurtocht naar het waarom van de kunst in zijn leven. In feite is dat ook het belang van zo’n speurtocht. Niet het uiteindelijke doel van de tocht telt, maar dat wat je tijdens de tocht ontdekt en meeneemt in de rest van je leven. Uiteindelijk is dat ook af te lezen aan zijn eigen leven: hoe hij geboren en getogen werd in Indonesië, hoe hij daar ondermeer kennis maakte met twee grote wereldgodsdiensten, hoe hij in Nederland vanuit de architectuur uiteindelijk besloot verder te gaan in de beeldende kunst. Dat is een tocht die hij nooit van te voren had kunnen bevroeden, maar die hij ook niet gemaakt zou hebben als hij niet geïntrigeerd zou zijn geweest door de wereld. Al lezend en verkennend brengt het hem van het Gilgamesh-epos naar Dwalen in het antropoceen van voormalig Denker des vaderlands René ten Bos. In het Gilgamesh-epos – met zijn ouderdom van zo’n drie à vier millennia en daarmee een van de allereerste teksten die bewaard zijn – zijn verhalen te lezen over willekeur en morele keuzes, over wildheid en beschaving, over winnen en falen, over vijandschap en vriendschap, over rouw en levensenergie, over hoe de mens streeft naar het eeuwige leven maar dat niet zal bereiken omdat de wereld zo niet in elkaar zit. Het is ontroerend te zien, dat de mensheid nog steeds met dezelfde tegenstellingen worstelt.

Ten Bos’ Dwalen in het antropoceen is uiteraard geen episch gedicht, hoewel er dichterlijkheden in staan. Echter, het antropoceen – een wat modieuze term waarin het huidig tijdperk beschreven wordt waarin de menselijke soort op destructieve wijze het aanzien van de planeet bepaalt – beschouwt Ten Bos als een warrig gegeven waarbinnen de mensheid zich beter niet laat afleiden door apocalyptische visioenen, want die zullen de uitweg zeker niet geven. In het antropoceen, waarin we dan zouden leven, lijkt Gilgamesh – wanneer je hem beschouwt als ‘de mensheid’ – weer voor dezelfde vraagstukken gesteld te worden. Gilgamesh moest getemd worden, moest vijandschap omzetten in vriendschap, moest sterfelijkheid aanvaarden, en dat al strijdend. Je kunt er ‘de mensheid’ in zien en je kunt je eigen leven en streven eraan spiegelen.De postmoderne- en hedendaagse literatuur over de geschiedenis – de geschiedenis van oude culturen, Middeleeuwen tot aan het China van Xi Jinping – hebben Frey meer inzicht gegeven in de puzzel van het mensdom en hoe esthetiek evengoed samengaat met conflict en machtsusurpatie als met stabiliteit en evenwicht.

Of hij er de vraag mee kan beantwoorden waarom hij dan zo verslingerd is geraakt aan de kunst, is een andere zaak. De lyriek, verhalen, meningen, feiten en omstandigheden zoals ze in de literatuur voorkomen zijn puzzelstukjes, niet meer en niet minder, en het is maar de vraag van welke puzzel zij de onderdelen zijn. Frey noemt het “het verzamelen van puzzelstukjes om de wereld te kunnen ordenen”. Hij ziet herkenbare gelijkenissen in de geschiedenis. Hij doet dat zonder daarbij de houding die de cynische geschiedenishater aanneemt, dat het “toch altijd hetzelfde is geweest”. Zeker, de parallellen zijn er, maar die zijn niet alleen verhelderend over het negatieve van de mensheid en de machtsverhoudingen die er steeds een rol speelden en spelen. Ze laten ook een geschiedenis na van symbolen en metaforen, een geschiedenis die de verbeelding voedt en de mensen voorziet van een vorm van gemeenschappelijkheid – zonder dat daar overigens per se een moralistisch of nationalistisch sausje overheen wordt geschept; de wereld van symbolen en metaforen is zo veel rijker dan dat.

Ze nodigen Frey ook uit tot onbevangenheid. Dat is wat anders dan de momenteel zo populaire ‘objectiviteit’. Je kunt onbevangen zijn met de kennis die je al hebt, je kunt onbevangen zijn terwijl je de feiten al kent. Het gaat erom die feiten juist onbevangen te gebruiken, ze onbevangen tegemoet te treden en ze op die manier op hun waarde proberen te schatten. Onbevangenheid is ook wat anders dan argeloosheid, waarbij de feiten wel aanvaard worden maar zonder bewustheid van hun implicaties. Op die manier levert het lezen en het aan elkaar leggen van de puzzelstukjes voor Frey iets op in zijn vraag waarom hij zo van de kunst houdt, afgezien van wat “houden van” dan precies is. Ook het “houden van” is in dit verband een vorm van onbevangen op waarde schatten. Een manier van kijken die niet alleen zo onbevangen mogelijk is, maar daardoor ook weer automatisch tot onbevangenheid uitnodigt.

Kunst materialiseert veel van de eigen geschiedenis en van de wereld om je heen zonder dat de kunstenaars die verantwoordelijk zijn voor die kunst, zelf een op een dezelfde geschiedenis hebben meegemaakt. Natuurlijk zijn hun ervaringen, hun persoonlijke geschiedenissen verschillend, vaak zelfs totaal verschillend. Maar hun werken hebben wel de kracht de beschouwer te inspireren en zich daarmee bewust te laten worden van een gedeelde historie en ideeënwereld. Hoe meer je de puzzelstukjes aan elkaar legt, hoe meer die de waardering voor de kunst doet stijgen en de beschouwer ook steeds meer boeit. Misschien is dat dan de grondslag voor het “houden van” de kunst. De kunst is als een materiële bondgenoot, of liever een van de mens onontvreemdbaar onderdeel van zijn geestesleven. De vele kunst die door de eeuwen heen gemaakt is, van de grotschilderingen in Lascaux tot de algoritmische werken van Marcel Wesdorp, is een residu van ideeën over het bestaan.

Een residu dat, hoezeer het ook persoonlijk getekend en betekend is, toch een vorm van gemeenschappelijkheid levert en verrijkt, en juist door het persoonlijke element kan leiden tot bijzondere gezichtspunten, die het leven opnieuw betekenis kunnen geven en de onbevangenheid belonen. Koestering daarvan en liefde daarvoor zijn in dat opzicht misschien niet anders dan vanzelfsprekend. Of dat voldoende uitkomst was voor onze conversatie in de grauwe januarimaand, blijft een open vraag, maar ze was op zijn minst weer een van de puzzelstukjes in het onbevattelijk geheel.

 

Bertus Pieters, februari – maart 2021

 

Uit de waan van de Dag

Galerie Helder 2010-2015
‘De keuken curator’ door Heske ten Cate

“We do realize that you are what we really crave for and many times we meet you in our dreams. We have glimpsed you through the abstract world and have tasted of your reality. […] We ask always for your help, Art for we need much strength in this modern time to be only artists of a lifetime. We know that you are above the people of our artist world but we feel that we should tell you of the ordinariness and struggling that abounds and we ask you if this must be. Is it right that artists should only be able to work for you for only the days when they are new, fresh and crisp? Why can’t you let them pay homage to you for all their days, growing stronger in your company and coming to know you better? Oh Art, please let us all relax with you. To be with Art is all we ask.”(Fragment uit ‘To be with art is all we ask’ van Gilbert en George, 1970)

Het Engelse kunstenaarsduo Gilbert and George werkt sinds het verlaten van hun opleiding samen als living sculpture. ‘To be with Art’ is een papieren sculptuur met hun mission statement in houtskool erop geschreven, als een brief aan de kunst.

Lees meer

Is het terecht dat kunstenaars enkel voor U mogen werken in de periode dat ze nieuw, fris een sprankelend zijn, vragen de Engelse kunstenaars Gilbert en George aan de kunst, gevolgd door de wens om hun hele leven te mogen wijden aan de Kunst. Gilbert en George voelen in 1970 twijfelend de tijdgeest aan, die zich enkel heeft geëvolueerd sindsdien: de kunstwereld bemint met name zijn nieuwe crispy kunstenaars. Gilbert en George hebben echter de tand des tijds perfect doorstaan, niet omdat ze niet verouderen, maar omdat hun kunstwerken zich nestelen in ons collectief geheugen. Sommige kunst heeft die kwaliteit, die weet zich door de stortvloed van andere beelden te verankeren in ons bewustzijn; ze zijn een iconische allegorie van het nu en dat maakt indruk op ons.

Sinds 1970 is de (kunst)wereld drastisch veranderd en hebben kunstenaars en curatoren met nieuwe fenomenen te maken, zoals de immense toename van beelden. Het is een alom bekend gegeven dat onze voorvaderen in de middeleeuwen met evenveel beelden werden geconfronteerd in hun levens als wij tegenwoordig in een dag hebben te verstouwen. Het is een absurde vergelijking, aangezien het moeilijk verplaatsen is in een monnik die de hele dag pentatone liederen zingt en die ongetwijfeld zijn eigen zorgen zal hebben gehad, passend bij zijn eigen tijd. Aan ieder tijdperk kleeft een ander ‘probleem’. We kunnen er huiveringwekkend naar kijken, verlangen naar de donkere dagen van de Middeleeuwen of de jaren ‘70 waarin Gilbert en George nog onzekere jongens waren, of de tijdgeest omarmen en gebruiken om bijvoorbeeld de dialoog te voeren over de hele wereld, want dat kan tegenwoordig weer zo eenvoudig.

De stroom aan beelden zorgt ervoor dat de rol van kunstenaars en curatoren de laatste jaren is veranderd. Hans Ulrich Obrist weet in zijn boek ‘A Brief History of Curating’ kristalhelder uit te leggen dat het vormgeven van de wereld om ons heen een collectieve bezigheid is geworden, omdat het onderdeel is van onze overlevingsstrategie. Althans, zo is wat hij schrijft te interpreteren. Door de explosieve toename aan beelden, spullen, keuzes en mogelijkheden is het van levensbelang dat we schiften, filteren, kaderen, synthetiseren en elimineren, gelijk het vak van een curator.

Ver buiten de museummuren wordt de stroom aan informatie begeleid, verdiept en gerangschikt op Instagram, Pinterest en andere sociale media. Wat betekent dit voor de rol van curatoren? Als de wereld al wordt vormgegeven door ons allemaal, wat kunnen zij daar als extra dimensie aan toevoegen?

Beeldend kunstenaar Christian Boltanski zegt hierover: “We only remember exhibitions which also invent a new rule of the game”. Popart koning Richard Hamilton stelt: “We only remember exhibitions that also develop a new display feature”.

Twee aspecten die zowel voor de hand liggen als problematisch zijn, want hoe voegen we nieuwe regels toe aan een wereld waar alles al lijkt te zijn geprobeerd, en waarom zouden we de omgeving van kunst veranderen als we al die geschikte musea en galeries tot onze beschikking hebben? Hans Ulrich Obrist begint zijn gelauwerde carrière als curator met dezelfde vragen. Hij is drieëntwintig en loopt met zijn ziel onder zijn arm, denkend dat een nieuwe curator niks meer toe te voegen heeft aan de bestaande extravaganza binnen musea van de jaren ‘80. Waar te beginnen? Hij besluit – weliswaar bij gebrek aan beter- dichtbij huis te beginnen en wel in zijn keuken, functionerend als etalage voor de kunst. Het is een omgeving die al is vormgegeven, onbewuste keuzes zijn gemaakt volgens zijn standaard.

I never cooked. I never even made tea or coffee because I always ate out. The kitchen was just another space where I kept stacks of books and papers. This was exactly the feature that Boltanski had noticed. The non-utility of my kitchen could be transformed into its utility for art. To do a show there would mix art and life, naturally.” 

Hij verstuurde handgeschreven uitnodigingen naar twintig kunstvrienden. De expositie duurde drie maanden en telde zevenendertig bezoekers in totaal. De keukenexpo van Obrist is cult, legendarisch, omdat het de essentie weet te grijpen van wat een kunstcurator in deze tijd te doen staat. In het museum moet de curator de intimiteit van de keuken van Obrist zoeken, om de concentratie, ongeacht de grootte van het museum, vast te houden. Hoe verder je verwijdert raakt van de kern, de keuken, hoe meer het museum zich transformeert in een formele white cube waarin weinig ruimte bestaat voor het persoonlijke en ruim baan is voor het bekende.

De curator is de hoeder van kunst en zijn kunstenaars, of dat nou in het MoMA is, of een achterkamer, een keuken of een middelgrote galerie. De curator maakt geen kunst, maar volgt de kunst en zijn grillen en bewerkstelligt de verbinding tussen de mensen en de kunst. Hij brengt de wereld in de wereld. Hij herbergt de realiteit alsmede de abstractie, zoals Gilbert en George zo schitterend omschrijven in hun brief aan de kunst. De curator schept een nieuwe betekenis, een voedingsbodem met het juiste klimaat voor interessante ideeën en een alternatieve kijk op de bestaande realiteit. Niet het werven van klanten, het vinden van een zo groot mogelijke doelgroep, het aanleggen van een high brow kunstbestand zouden leidend moeten zijn, het zijn secundaire gevolgen die, wanneer we het heel goed doen, vanzelf volgen. Dit vergt een romantische houding ten opzichte van de hedendaagse realiteit waarin het belangrijk is dat een galerie of museum zich profileert middels zijn kopers en bezoekerskring. Soms lijkt dit bijeffect leidend en wordt de kern van de kunst verdrukt door de klopjacht op sponsoren en klanten.

Dat brengt het verhaal naar Galerie Helder in Den Haag en bij Frey Feriyanto, die al vijf jaar lang de scepter zwaait over de intieme huiskamergalerie. Huiskamergalerie klinkt misschien wat wollig, amateuristisch of zelfs stoffig, maar toch is dit woord bewust gekozen, want kunstenaars lopen er de deur plat om, tussen de kunstwerken als stille getuigen, bijeen te komen en ideeën uit te wisselen. De houten vloeren blinken en er is geen Perzisch tapijt, nee, het is niet zo’n huiskamer: ondanks de formele opzet van Galerie Helder heeft het de huiselijkheid van een keukentafel. Amateuristisch is het allerminst. De intieme sfeer is onbewust ontstaan, het is niet een bewust display speciaal voor de kunst gecreëerd -om Richard Hamilton gelijk maar teleur te stellen. Frey Feriyanto is opzoek naar een plek waar de beweeglijkheid bestaat om ideeën uit te lucht te grijpen, intuïtief te werken en beslissingen aan het toeval over te laten. Hij creëert de ideale omstandigheden om de tijdgeest te vatten, om af te stemmen op het morfogenetisch veld, de idee, de behoeften van de kunst. Ideeën hangen immers is de lucht. Wetenschapper Rupert Sheldrake bedacht een passende term voor die onbegrensde ruimte.

Feriyanto gelooft in Sheldrake’s morfogenetisch veld, waar ideeën als ingekapselde zaden verborgen liggen, wachtend om te mogen ontspruiten. De informele sfeer van de galerie is volgens hem essentieel om vrij te kunnen denken. Feriyanto’s doelstelling bij het maken van zijn tentoonstellingen is: kijken, absorberen, doorkauwen, laten bezinken, onderzoeken, reproduceren, opnieuw bedenken, en kijken, reflecteren, en kijken, en terugkijken en kijken. Het klinkt elementair, logisch om je als curator onderzoekend op te stellen ten opzichte van de kunst, maar in deze tijd is een dergelijke overgave enkel weggelegd voor durfallen. Deze houding wordt op de lange termijn beloond. Althans, toen Obrist ooit aan Anne d’Harnoncourt – voormalig directeur van het Philadelphia Museum of Art – vroeg of zij een advies kon geven aan curatoren die aan het begin van hun carrière staan, antwoordde ze: “I think my advice would probably be not to change very much; it is to look and look and look, and then to look again, because nothing replaces looking (…) I mean to be with art.” Om met de kunst te zijn: binnen deze wens vinden Anne d’Harnoncourt, Gilbert en George, Frey Feriyanto en nog vele anderen over de hele wereld elkaar in het onbegrijpelijke veld van de ideeënwereld. Godzijdank leven we in onze tijd, dat is zoveel beter dan de Middeleeuwen.

Heske ten Cate

5 jaar Galerie Helder 2010-2015